Rassen
In de wereld van de Vikingen bestonden ook andere wezens dan mensen en Goden. Het getuigt van de grote fantasie van de Vikingen dat zij al deze volken met hun eigenschappen in hun belevingswereld konden inpassen. Ik wil hier graag de belangrijkste volkeren noemen.

De Dwergen
De Dwergem zijn kleine gedrongen wezens, die veel op mensen gelijken. Voor het grootste gedeelte zijn het noeste arbeiders, met een echt arbeiders postuur. Ze zijn ondanxs kun beperkte lengte veel sterker dan de mensen. De baard is bij de Dwergen een statussymbool, bijna iedere mannelijke Dwerg heeft er dan ook een. De jonge Dwergen, die nog geen baardgroei hebben, worden nog niet voor vol aangezien.
De vrouwelijke Dwergen zijn stille onopvallende huisvrouwen. Ze zijn in staat tot degelijk handwerk zonder bijzondere versieringen. De dwergenkleding staat bekend als sterk en slijtvast, zeer goed bestand tegen tochten door de mijnen en de arbeid in de vele werkplaatsen, waarin de mannelijke Dwergen werkten.
De Dwergen zijn zeer loyaal van karakter, wanneer ze eenmaal een belofte hebben gedaan komen ze daar nooit op terug. Ze hebben ook een bijzonder goed geheugen voor weldaden en misdaden. Ze zullen iemand die een misdaad heeft gepleegd jegens hun volk dan ook genadeloos afslachten; iemand die hun volk daarentegen welwillend gezind is, kan ook op de prachtigste beloningen en de steun van alle Dwergen rekenen.
De Dwergen houden van mooie sieraden en goed gereedschap. Het is wijd en zijd bekend dat het dwergengereedschap het beste is dat in alle werelden te vinden valt. Zelfs de Åsene pronken met de sieraden, die door de Dwergen gemaakt worden en gebruiken wanneer iets gemaakt moet worden het liefst degelijk dwergengereedschap.
De Dwergen leven veelal in de bergen. Zij hebben daar prachtige grotten en tunnels uitgehakt. Overal glinsteren de edelmetalen en overal glitteren de edelstenen. Hun woonkamers zijn kaal, maar degelijk. Iedere Dwerg heeft echter wel een paar pronkstukken op zijn kamer van verfijnd edelsmeden handwerk.
Bij de Dwergen zijn vooral vier beroepen zeer in zwang. Een Dwerg is veelal mijnwerker, smid, edelsmid of soldaat/wachter. Wanneer een Dwerg een wapen draagt is dit dan ook veelal een bijl of een hamer. Bijlen en hamers in alle soorten en maten. Grote tweezijdige oorlogsbijlen, Axes, maar ook kleine werpbijltjes en werphamers. Vaak lijken de bijlen en hamers wat buiten proporties voor de Dwergen: door hun grote kracht kunnen zij echter wapens dragen, die veel groter zijn dan mensen van hun formaat zouden gebruiken.
In de Noorse Mythologie zijn er twee grote Dwergenvolkeren: de Durin en de Modsognor. Ze hebben veel overeenkomsten, maar hun belangrijkste verschil is de soort Magische Voorwerpen die ze maken en aan wie ze ze leveren. De Durin maken Magische Wapens van allerlei aard en verhandelen deze met zowel de Åsene als de Reuzen. De Modsognor maken Magische Voorwerpen van niet-geweldadige aard en ruilen ze alleen met de Åsene.
De koning van de Durin heet Fjalar. De koning van de Modsognor heet Dvalin.

De Reuzen
De wereld der reuzen lag ten noorden van de mensenwereld. In de reuzenwereld lagen drie rijken: Jotunheim, Risaland en Glasisvellir.
Jotunheim lag in het oosten van de reuzenwereld, Risaland in het westen en Glasisvellir in het noorden. De enige brug over de Iving, die de mensen van de reuzen scheidde, voerde naar Jotunheim. De mensen noemden de reuzenwereld meestal Jotunheim, omdat verreweg de meeste reuzen die in Midgard aangetroffen werden daarvandaan kwamen. De Jotunheimer waren de wildste en woeste onder de reuzen en soms staken ze de Iving over op grote vlotten om de noordelijke landen van Midgard te plunderen. De Jotunheimer werden ook wel Jotun genoemd.
De reuzen van Risaland voerden al eeuwen oorlog met de reuzen van Jotunheim. Het bleef echter vaak bij kleine schermutselingen; slechts twee maal was er een grote slag uitgevochten tussen de Jotunheimer en de Risa. In de hoofdstad van Risaland, Geirrodargardar (Geirrodsstad), zetelde hun koning Geirrod. De vorst regeerde zijn volk met strakke hand en de reuzen in Risaland leefden, in tegenstelling tot de reuzen in Jotunheim, dan ook in grote voorspoed. Of de reuzen in Risaland iedere vorst opnieuw weer Geirrod noemden, of dat deze vorst het eeuwige leven had, is nooit bekend geworden uit de overleveringen.
Godmund heerste over Glasisvellir, de glazen vlakten van het noorden. Hier bouwden de reuzen hun woningen van doorzichtig ijs, zodat het leek alsof het hele land van glas was gebouwd. Wanneer de zon scheen, hetgeen niet vaak voorkwam zover in het noorden, scheen het alsof de hele vlakte spiegelde. Hier leefden de ijsreuzen in vrede, want zowel de reuzen uit Jotunheim als de reuzen uit Risaland hadden weinig lust om naar de ijskoude vlakten van Glasisvellir te reizen. Hier op deze vlakten hadden de ijzige winden reeds vele reizigers bevroren, die als ijspilaren oprezen op de kale vlakten.
Van oudsher hebben de reuzen al een vete met de Åsene (zie ook de mythe het begin der tijden). Aangezien de mensen door de Åsene geschapen zijn, is ook de vete van hun “ouders” -geheel volgens de viking traditie- op de mensen overgedragen. Reuzen, zowel Jotun als Risa, zien mensen en Åsene liever gaan dan komen. Aan het einde der tijden, als de Ragnarok eenmaal is aangebroken, zullen de Åsene, tezamen met de Einheri, Valkyres en de mensen, een laatste gevecht voeren met Loki, zijn kinderen en de reuzen. Volgens de voorspellingen zullen slechts enkelen deze strijd overleven.

De Trollen
Over de precieze herkomst van de trollen bestaat nogal wat onduidelijkheid. Enkele oude geschriften melden dat zij het resultaat zijn van geslachtsgemeenschap tussen Reuzen en Dwergen, maar gezien het verschil in lengte tussen deze twee volkeren al gauw zes voet bedraagt, is dit niet echt waarschijnlijk. Ook wordt er wel gezegd, dat het een mislukte poging was van de magiërs was, om zelf, in navolging van de Åsene, ook mensen te scheppen. Met name het grote aantal Trollen dat Agdi dient, doet vermoeden dat dit een juiste lezing aangaande de herkomst van de Trollen zou kunnen zijn.
Agdi is de vorst van een klein koningkrijkje, dat op het drie landen punt van Glasisvellir, Jotunheim en Risaland ligt. De reuzen durven er geen voet binnen de grenzen te treden, zo bang zijn ze voor de macht van Agdi. Echte tovenaars of magiërs komen in de verhalen van de Edda nauwelijks voor. De Vikingen haalden hun toverkracht uit magische voorwerpen en runen, niet uit toverspreuken.
Waar ze ook vandaan komen: het staat vast dat Trollen lelijk en dom zijn. Trollen zijn ongeveer tussen de vijf en zeven voet groot. De armen van trollen zijn verhoudingsgewijs langer dan die van mensen, hetgeen ze een slungelig uiterlijk geeft. Deze slungeligheid wordt nog eens versterkt door hun voorover hangende schouders en gebochelde rug, zoas ook de klokkenluider van de Notre Dame had. Op de huid van trollen groeien veelal vele wratten, hetgeen hun toch al lelijke verschijning nog afzichtelijker maakt.
Een trol gaat meestal gekleed in lappen grote stof of dierenhuiden. Trollen zijn niet bijzonder handig of slim, zodat ze vooral knuppels hanteren (aan messen en andere scherpe dingen zouden zij zich enkel bezeren), hoewel bijzonder intelligente Trollen af en toe toch met een bijl of een kromzwaard kan omgaan.

De Elven en de Duistere Elven
In de fantasy cultuur, worden de Elven afgeschilderd als een volk van mensachtigen met puntoortjes. Een volk dat vele era’s ouder is dan de mensen. De Elven worden hierin ook onsterfelijk geacht. De Vikingen hebben hier echter een heel andere visie over.
In de vikingcultuur zijn de Elven een soort geesten. Het zijn de geesten van mensen, die niet in aanmerking zijn gekomen om naar Hel, de onderwereld, of naar het Valhalla, Odins burcht, te mogen reizen. Deze geesten, Alfen, kunnen een menselijke gedaante aannemen. Op het uiterlijk van hun verschijning hebben zij zeer veel invloed. Elven zijn dan ook vaak onwaarschijnlijk mooi. Zeker onder de vikingen, die toch vaak gesierd werden door menig litteken, vallen zij als ‘extreem-verzorgd en té knap’ op.
Aangezien de Elven de geesten van overleden mensen zijn, kunnen zij niet nogmaals sterven. Hier komt waarschijnlijk de vermeende onstervelijkheid van de Elven vandaan. De Elven hebben zich twee takken op de Yggdrasil toegeëigend.
De Elven kunnen in twee groepen worden ingedeeld: de Elven en de Duistere Elven. De Elven hebben een gelukkig leven gekend en zijn blij dat zij, als geest, toch weer een nieuw bestaan hebben gekregen. Deze Elven leven in een wereld, Alfheim, bovenin de Yggdrasil, waar veel licht doordringt. Deze wereld ligt vlak boven Midgaard.
Vlak onder Midgaard ligt Svartalfheim. Deze wereld is een stuk donkerder nog dan Midgaard en véél duisterer dan Alfheim. Vandaar dat de Alfen die hier wonen, Svartalfen, de duistere Elven genoemd worden. Dit zijn veelal de geesten van mensen, die een zwaar en ongelukkig leven hebben gekend, bijvoorbeeld zelfmoordenaars. Zij willen in geen geval herinnerd worden aan hun vorige bestaan en proberen dan ook zoveel mogelijk de zon en andere herinneringen aan hun vorige bestaan uit te bannen.
Elven zijn dus de geesten van overleden mensen, die niet in Hel of Valhalla terecht gekomen zijn. De geesten kunnen zelf hun uiterlijk beÏnvloeden, zodat ze vaak onnatuurlijk knap zijn.